praag.co.za

De Vlaamse tegenstanders van Nelson Mandela

Nelson Mandela wordt 95 jaar. Het icoon van de strijd tegen apartheid, de geïnstitutionaliseerde vorm van rassensegregatie wordt overal bejubeld. Bijna vergeten is dat er in Vlaanderen een machtige lobby bestond die de apartheid onwrikbaar verdedigde en Mandela liefst voor eeuwig op Robbeneiland had willen houden.

De Vlaamse pro-apartheidslobby, een merkwaardige mix van deftige centrum-rechtse figuren en extreem-rechtse elementen, was gedurende meer dan veertig jaar actief. Al in 1952, luttele jaren na de officiële installatie van het apartheidsregime door de blanke minderheid, werd in Antwerpen het Algemeen Nederlands Suid-Afrikaans Verbond (ANSAV) opgericht. Het was een Vlaams-nationalistische vereniging van Groot-Nederlandse strekking die de apartheid verdedigde en de culturele banden tussen Vlaanderen, Nederland en Zuid-Afrika wilde versterken.

De vereniging hield zich bezig met het verspreiden van informatie over Zuid-Afrika en het organiseren van debatten en voorlichtingsavonden. Voorzitter van ANSAV was aanvankelijk Dries Bogaert, een man die na de Tweede Wereldoorlog was veroordeeld tot vijftien jaar gevangenis wegens collaboratie met de Duitse bezetter. Hij werd als voorzitter opgevolgd door Karel Delahaye, voormalig opperschaarleider van de Dietsche Blauwvoetvendels tijdens de oorlog en daarna voorzitter van de radicaal rechtse organisatie Were Di. Zijn secretaris bij het ANSAV was Siegfried Verbeke, een notoire racist en holocaustontkenner.

Hersenspoeling

Na het verdwijnen van het ANSAV in 1968 werden de activiteiten van het verbond voortgezet door de vereniging Vrienden van Zuid-Afrika, die grotendeels uit dezelfde personen bestond. Een van de meest actieve leden was toenmalig Volksunie-senator Wim Jorissen, boegbeeld van de traditionele en rechtse Vlaams-nationalisten, medeoprichter van de honderd leden tellende Interparlementaire Vereniging België-Zuid-Afrika en een van de initiatiefnemers van Protea, de meest invloedrijke pro-apartheidsclub. De vzw Vrienden van Zuid-Afrika kon overigens rekenen op subsidies van het toenmalige ministerie van Nederlandse Cultuur.

De vzw Vrienden van Zuid-Afrika kon overigens rekenen op subsidies van het toenmalige ministerie van Nederlandse Cultuur

Met 142 stichtende leden, onder wie parlementsleden, bankiers, ambtenaren, hoge legerofficieren, bedrijfsleiders en andere prominenten, was Protea één van de machtigste pro-apartheidsgroepen ter wereld. De Vlaams-Zuidafrikaanse contactclub Protea, genoemd naar de Latijnse benaming van de bloem suikerbossie, werd opgericht in oktober 1977. Niet toevallig een maand na de ophefmakende moord op de anti-apartheidsactivist Steve Biko en een jaar na de bloedig onderdrukte opstand in Soweto. In vele landen veroorzaakten de gebeurtenissen in Soweto het ontstaan van sterke anti-apartheidsbewegingen. In Vlaanderen daarentegen gebeurde precies het tegenovergestelde. De hoofddoelstelling van Protea was alweer het verschaffen van ‘objectieve’ informatie over Zuid-Afrika, als tegengewicht voor de ‘foutieve’ berichtgeving in de westerse media. Daarnaast wou de organisatie het regime in steunen tegen de vermeende ‘communistische bedreiging’ door het Afrikaans Nationaal Congres (ANC).

De argumenten die de initiatiefnemers van Protea destijds hanteerden, klinken vandaag zo mogelijk nog surrealistischer dan toen. “De jongste jaren is het vooral het Russische imperialisme dat stelselmatig een karikaturaal beeld van Zuid-Afrika ophangt”, schreven de Protea-stichters. “Het moet toch voor iedereen duidelijk zijn, die wil zien, dat het Russische imperialisme de controle wil over de Kaaproute van Zuidelijk Afrika. Vandaar de grootscheepse pogingen van de Sovjet-propaganda om de hersenspoeling op grote schaal, die in de Sovjetunie een gewoon verschijnsel is, ook op West-Europa en in het bijzonder op onze jeugd toe te passen. Ze wordt daarbij geholpen door onze nieuwsmedia die vaak klakkeloos en kritiekloos haar geïnspireerde informatie overneemt.”

Tot de stichters van Protea behoorden onder meer André Vlerick (vice-voorzitter van de Kredietbank en gewezen CVP-minister van Financiën), Leon Rochtus, bijgenaamd Zwarte Leon (ereconsul van Zuid-Afrika in Antwerpen, directeur van Paribas-bank), Karel Dillen (stichter-voorzitter van het Vlaams Blok), Jef Valkeniers (Volksunie-parlementair en voormalig staatssecretaris) en Bob Maes (VU-senator en stichter van de VMO). Er waren ook niet minder dan 46 parlementairen bij de stichtende leden, vooral uit de rangen van CVP, PVV en Volksunie. Andere opmerkelijke stichters waren luchtmachtkolonel Herman Candries, rijkswachtgeneraal Maurice Deneve, de Antwerpse procureur-generaal Renaat Verheyden, plus een hele reeks journalisten, bekende schrijvers en zowat alle prominenten van de Vlaamse beweging. De club verzamelde met andere woorden de hele rechterzijde, van het Davidsfonds tot Oostpriesterhulp. Op zijn hoogtepunt telde de club zo’n duizend leden, waarvan een aanzienlijk deel ondertussen zijn overleden.

Muldergate

Protea organiseerde niet alleen lezingen, tentoonstellingen, debatavonden en (door de Zuidafrikaanse autoriteiten betaalde) toeristische bezoeken aan Zuid-Afrika. Sommige Protea-leden, zoals de Gentse VMO-leider Roger Spinnewijn, recruteerden begin jaren negentig zelfs huurlingen om te gaan vechten voor een blank thuisland. Protea verzette zich openlijk tegen het embargo dat de Verenigde Naties hadden ingesteld tegen het regime in Pretoria en promootte actief de handel met Zuid-Afrika – lijnrecht tegen de VN-resoluties in. Voor die boycott-busting inspanningen kregen een aantal Protea-leden, onder wie André Vlerick en Leon Rochtus, trouwens de hoogste Zuid-Afrikaanse onderscheiding voor buitenlanders: de Orde van de Goede Hoop. De lobbygroep was een combinatie van personen die de apartheid verdedigden om rechts ideologische redenen en/of omwille van economische belangen. Met name Belgische banken, de diamant- en energiesector, tabakshandelaren en wapenproducenten deden immers goede zaken met Zuid-Afrika. In eigen land lobbyde Protea dan weer in 1987 tegen de wet-Moureaux, die racisme en xenofobie strafbaar stelde. Op basis van die wet werd later het Vlaams Blok veroordeeld.

Een aantal Protea-leden, onder wie André Vlerick en Leon Rochtus kregen de hoogste Zuid-Afrikaanse onderscheiding voor buitenlanders: de Orde van de Goede Hoop

Pijnlijk was dat kort na de oprichting van Protea de Muldergate-affaire aan het licht kwam. Connie Mulder, de Zuidafrikaanse minister van Informatie, en zijn secretaris Eschel Rhoodie bleken te beschikken over een aanzienlijk illegaal fonds. Het ging om clandestien geld uit het defensiebudget dat gebruikt werd om een propaganda-oorlog te voeren in de media ten voordele van het apartheidsregime. Dat kon door het omkopen van internationale nieuwsagentschappen, het opkopen van bestaande kranten of het oprichten van eigen publicaties, zoals bijvoorbeeld het internationale magazine To the Point (gevestigd in Antwerpen, met als hoofdredacteur Anthony Mertens, een ex-journalist van De Standaard). Het vermoeden rees dat er smeergeld van de Muldergate-affaire naar Protea was gevloeid, maar harde bewijzen hiervoor zijn nooit boven water gekomen.

Historische vergissing

Na de vrijlating van Mandela en het verdwijnen van het apartheidsregime werd Protea in 1992 stilletjes opgedoekt en verdween de club in de vergetelheid. Maar ook daarna wou het Protea-bestuur blijven ijveren voor de “versterking van de Zuidafrikaans-Nederlandse Cultuurgemeenschap” en sloot zich daarom aan bij de Vlaams-Zuidafrikaanse Cultuurstichting. Die vzw, eveneens een initiatief van Wim Jorissen en zijn medestanders, bestaat nog steeds en groepeert tot op de dag van vandaag een aantal vooraanstaande voormalige Protea-leden, zoals bijvoorbeeld gewezen CVP-politicus Herman Suykerbuyk, Herman Candries en voormalig KBC-voorzitter Remi Vermeiren.

De steun aan het apartheidssysteem was niet alleen een achterhoedegevecht met mogelijk contraproductieve gevolgen voor het Vlaamse bedrijfsleven, en een monumentale historische vergissing, zo schreven de auteurs van “Suikerbossie, België en Zuidelijk Afrika” (Manteau Dossier, 1978). “Het officiële België heeft zich in de hele Zuidafrikaanse kwestie onderscheiden door opvallend dom en hypocriet gedrag”, zo luidde hun conclusie. “Het gebrek aan politiek fatsoen werd ook in de hand gewerkt door een deel van de Vlaamse opiniemakers. Velen daarvan zijn gewoon racistisch ingesteld, anderen zijn naïevelingen. Gemotiveerd – al of niet eerlijk – door niet terzake doende sentimenten als stamverwantschap, broederbanden en taalovereenkomsten. Weer anderen weten heel goed waar het over gaat: de investeerders, de bankiers. Al deze lieden hebben er belang bij, of denken dat te hebben, als er in Zuidelijk Afrika geen ingrijpende veranderingen komen.”

Comments

Leave a Reply